R
NL
Waarvoor hebben
we robots nodig?
M
O B O
O B I L E
■ Het begrip 'robot' werd voor het eerst in 1923 gebruikt in de roman "Golem" van Carel Capek. Deze
kunstmatig gecreëerde figuur moest de juiste vaardigheden hebben om werkzaamheden over te nemen
van de mens.
In de jaren 30 en 40 van de 20e eeuw werd de robot veel meer als een automaat gezien. Diverse
pogingen om hem van menselijke eigenschappen te voorzien, zoals bijv. een hoofd met knipperlichten
als ogen, werken tegenwoordig alleen nog maar op de lachspieren. Van mobiliteit of zelfs intelligentie
is bij deze machines weinig te merken. Omdat het besturingsprincipe van grote invloed is op de
robottechniek werd de bouw van robots een stuk realistischer toen de eerste elektronische schakelingen
beschikbaar werden. Het streven robots van "intelligentie" te voorzien is vandaag de dag nog altijd een
onderwerp van onderzoek bij tal van bedrijven, instituten en universiteiten.
■ De eerste oplossingen dacht men te vinden met de opkomst van de zogenaamde cybernetica. De term
"cybernetica" is afgeleid van het Griekse woord 'kybernetes'. De kybernetes was de navigator op een
Griekse roeiboot. Hij moest de locatie van het schip bepalen en de noodzakelijke koers tot het doel
berekenen.
Cybernetica moest de robot "intelligent" maken. Hoe moet je je een dergelijk intelligent gedrag eigenlijk
voorstellen?
We zullen proberen om dit met een vergelijking te verduidelijken. Iedereen heeft wel eens gezien hoe
een motvlinder zich in het schijnsel van een lamp gedraagt. Hij herkent de lichtbron en vliegt er naartoe
om dan vlak voordat hij tegen de lamp zou vliegen uit te wijken. Het is duidelijk dat de mot voor dit
gedrag de lichtbron moet herkennen, een weg daar naartoe moet bepalen en er naartoe moet vliegen.
Deze vaardigheden zijn gebaseerd op instinctieve, intelligente gedragspatronen van het insect.
Laten we nu eens proberen deze vaardigheden over te brengen op een technisch systeem. We moeten
de lichtbron herkennen (optische sensoren), een beweging uitvoeren (motoren aansturen) en we moeten
een zinvolle samenhang realiseren tussen herkenning en beweging (het programma).
8 8
6 6
8 8
6 6
S
B
E T
E G E L E I D E N D
■ Het hierboven beschreven principe heeft de Engelsman Walter
Grey in de jaren 50 van de twintigste eeuw in praktijk gebracht.
Met behulp van eenvoudige sensoren, motoren en elektronische
schakelingen creëerde hij diverse "cybernetische" dieren, die elk
voor zich een zeer specifiek gedrag, zoals bijv. dat van een mot,
vertoonden. Op de foto is een kopie te zien van de "cybernetische"
schildpad die te zien is in het Smithsonian Museum in
Washington.
Op basis van het bovenstaande gaan wij voor onze robots ook de
gewenste gedragspatronen opstellen en proberen we deze in de
vorm van programma's aan de robots duidelijk te maken.
B O E K J E