:
Alleen van binnen naar buiten vijlen
:
De vijl vijlt alleen in voorwaartse
richting – bij het teruggeleiden de vijl
iets optillen
:
Verbindings- en aandrijfschakels
niet afvijlen
:
De vijl regelmatig iets verdraaien,
om eenzijdige slijtage te voorkomen
:
De bramen die bij het vijlen
ontstaan, met behulp van een stuk
hardhout verwijderen
:
De hoek met behulp van het
vijlkaliber controleren
Alle beiteltanden moeten even lang zijn.
Bij verschillende beiteltandlengtes zijn
ook de tandhoogtes verschillend,
hetgeen leidt tot ruw draaien van de
zaagketting en zelfs tot breken van de
ketting.
:
Alle beiteltanden tot op de lengte
van de kortste beiteltand terugvijlen
– bij voorkeur door een
geautoriseerde dealer laten
uitvoeren met een elektrisch
slijpapparaat
MS 260, MS 260 C
Dieptebegrenzerafstand
De dieptebegrenzer bepaalt de diepte
van de zaagsnede in het hout en
daarmee de spaandikte.
Richtafstand tussen de dieptebegrenzer
en de snijkant = a:
Bij het zagen in zacht hout buiten de
vorstperiode kan de afstand met
maximaal 0,2 mm (0,008") worden
vergroot.
Kettingsteek
Dieptebegrenzer
Afstand "a"
inch
(mm)
mm
1
/
(6,35)
0,65
4
3
/
-PMN
(9,32)
0,45
8
3
/
-PM,
8
PMMC3
(9,32)
0,65
0.325
(8,25)
0,65
3
/
(9,32)
0,65
8
0.404
(10,26) 0,80
Dieptebegrenzer afvijlen
De dieptebegrenzerafstand wordt
kleiner als de beiteltanden worden
geslepen.
a
:
De dieptebegrenzerafstand telkens
na het vijlen controleren
1
Bij de kettingsteek passende
1 = vijlkaliber op de zaagketting
plaatsen – als de dieptebegrenzer
boven het vijlkaliber uitsteekt moet
de dieptebegrenzer worden
nabewerkt
(inch)
(0.026)
(0.018)
(0.026)
(0.026)
(0.026)
(0.031)
:
De dieptebegrenzer nabewerken tot
deze gelijkligt met het vijlkaliber
Nederlands
153