c) Vooras
• De schokdempers kunnen aan de bovenste (A) en de onderste (B) opnamepunten op verschillende plaatsen wor-
den gemonteerd.
• De schokdemper zelf kan bijv. door het tussenvoegen van clips in de demping worden versteld (C) resp. de veerweg
kan worden begrensd.
• De wielvlucht kan worden gewijzigd door de instelling aan de bovenste (D) of onderste (E) draagarm te veranderen.
Daartoe is een zeskant sleutel vereist, waarmee de kogelschroef aan de bovenste resp. de onderste wieldraagarm
wordt verdraaid. Let er daarbij op, dat er minstens zowat 2/3 van de draadlengte van de kogelkopschroef in de
wieldraagarm blijft en dat het aandrijfblok niet loskomt (kogelkopschroeven te ver uitgedraaid) resp. te strak loopt
(kogelkopschroeven te ver ingedraaid).
• De spoorstangen (F) voor de stuurstang dienen voor het instellen van een voor- of achterspoor.
Naast de bovenstaande instelmogelijkheden kunnen bijv. andere schokdempers resp. veren worden
gebruikt, evenals demperoliën waarvan de verschillende viscositeit het veergedrag beïnvloedt.
A
C
B
F
D
E
143