§RICHTINGAANWIJZERS EN CLAXON CONTROLEREN§
Draai de contactsleutel op de "ON" stand.
Zet de richtingaanwijzer aan en controleer of voor en
achter de lampen gaan knipperen en dat u het
knipperen hoort. Doe hetzelfde voor links en rechts.
Inspecteer of de richtingaanwijzer glaasjes vuil of kapot
zijn.
Druk op de schakelaar van de claxon en luister of deze
naar behoren werkt.
WAARSCHUWING:
Gebruik lampen met de correcte specificaties
voor de richtingaanwijzers. Anders wordt de
goede werking van de richtingaanwijzers
beperkt.
Draai de richtingaanwijzer aan voor u van
richting verandert of een straat inslaat om de
bestuurders achter u te waarschuwen.
Zet nadien meteen uw richtingaanwijzer weer uit
door de knop nogmaals in te drukken. Om de
andere bestuurders niet te verwarren over uw
intenties.
§DE KOPLAMP EN HET ACHTERLICHT CONTROLEREN§
Draai de contactsleutel op de "ON" stand. Draai aan
de schakelaar van de koplamp en het achterlicht.
Controleer of de koplamp en het achterlicht branden.
Controleer de helderheid en lichthoek van de koplamp
door deze op een muur te richten.
Controleer de cover van het remlicht op vuil en
scheuren en kijk of ze niet los zit.
§REMLICHT CONTROLEREN§
Draai de contactsleutel naar de "ON" stand, knijp de
remhendels van de voor- en achterrem dicht.
Controleer of de remlichten werken.
Controleer de cover van het remlicht op vuil en
scheuren en kijk of ze niet los zit.
WAARSCHUWING:
Gebruik enkel de voorgeschreven lampen om schade aan het elektrische systeem, uitbranden
van de lampen en leeglopen van de batterij te vermijden.
Wijzig geen elektronische componenten en voeg geen componenten toe om overbelasting
van het elektrische circuit en/of kortsluiting te voorkomen, want dit kan tot brand leiden.
102