7.3
Controle van de draairichting (alleen bij draaistroom-
motoren)
De pomp is af fabriek gecontroleerd en ingesteld op de
juiste draairichting voor een rechtsdraaiend draaiveld. De
aansluiting is gebeurd volgens de specificaties in het
hoofdstuk "Elektrische aansluiting".
Controle van de draairichting
Een elektromonteur controleert het draaiveld op de net-
aansluiting met een draaiveldtester. Voor de juiste draai-
richting moet er een rechtsdraaiend draaiveld op de net-
aansluiting aanwezig zijn. De pomp is niet goedgekeurd
voor het gebruik op een linksdraaiend draaiveld! VOOR-
ZICHTIG! Als de draairichting wordt getest door middel
van een testloop, moeten de omgevings- en bedrijfs-
omstandigheden in acht worden genomen!
Onjuiste draairichting
Bij een onjuiste draairichting wijzigt u de aansluiting als
volgt:
▪ Verwissel bij motoren met directe aanloop twee fasen.
▪ Verwissel bij motoren met sterdriehoekaanloop de aan-
sluitingen van twee wikkelingen (bijv. U1/V1 en U2/V2).
7.4
Voor het inschakelen
Controleer voor het inschakelen de volgende punten:
▪ Controleren van de installatie op een juiste en volgens
lokale voorschriften geldige uitvoering:
– Is de pomp geaard?
– Is de installatie van de voedingskabel gecontroleerd?
– Is de elektrische aansluiting volgens voorschriften uit-
gevoerd?
– Zijn de mechanische onderdelen correct bevestigd?
▪ Controleren van de niveauregeling:
– Kunnen vlotterschakelaars vrij bewegen?
– Schakelniveaus gecontroleerd (pomp aan, pomp uit,
minimaal waterpeil)?
– Is er een aanvullende droogloopbeveiliging geïnstal-
leerd?
▪ Controleren van de bedrijfsomstandigheden:
– Is de min./max. temperatuur van het medium gecon-
troleerd?
– Is de max. dompeldiepte gecontroleerd?
– Is de bedrijfssituatie gedefinieerd afhankelijk van het
minimaal waterpeil?
– Wordt voldaan aan de max. schakelfrequentie?
▪ Controleer de opstelplaats/bedrijfsruimte:
– Is het leidingsysteem aan de perszijde vrij van afzet-
tingen?
– Is de toevoer of de pompput gereinigd en vrij van af-
zettingen?
Inbouw- en bedieningsvoorschriften Wilo-Rexa FIT
Inbedrijfname
– Zijn alle afsluiters geopend?
– Is het minimale waterpeil gedefinieerd en bewaakt?
7.5
In- en uitschakelen
Tijdens het opstarten wordt de nominale spanning kort-
stondig overschreden. Tijdens het bedrijf mag de nomi-
nale spanning niet meer worden overschreden. VOOR-
ZICHTIG! Schakel de pomp direct uit wanneer deze niet
start. Verhelp eerst de storing, voordat u de pomp op-
nieuw inschakelt!
Plaats pompen in een mobiele opstelling recht op een
stevige ondergrond. Zet omgevallen pompen weer
rechtop voor het inschakelen. Schroef de pompen stevig
vast op een moeilijke ondergrond.
Pomp met gemonteerde vlotterschakelaar en stekker
▪ Wisselstroomuitvoering: nadat de stekker in de contact-
doos is gestoken, is de pomp bedrijfsklaar. De pomp
wordt afhankelijk van het niveau automatisch in- en uit-
geschakeld.
▪ Draaistroomuitvoering: nadat de stekker in de contact-
doos is gestoken, is de pomp bedrijfsklaar. De besturing
van de pomp vindt plaats via twee schakelaars op de
stekker:
– HAND/AUTO: vaststellen of de pomp direct (HAND) of
– ON/OFF: pomp in- en uitschakelen.
Pomp met gemonteerde stekker
▪ Wisselstroomuitvoering: nadat de stekker in de contact-
doos is gestoken, wordt de pomp ingeschakeld.
▪ Draaistroomuitvoering: nadat de stekker in de contact-
doos is gestoken, is de pomp bedrijfsklaar. De pomp
wordt door middel van de ON/OFF-schakelaar in- en uit-
geschakeld.
Pompen met vrij kabeluiteinde
De pomp moet via een aparte, door de klant te leveren
bediening (in-/uitschakelaar, schakelkast) in- en uitge-
schakeld worden.
Het hydraulische huis moet volledig met het trans-
portmedium zijn gevuld en er mogen geen luchtbuf-
fers in het hydraulisch systeem aanwezig zijn. LET
OP! Als er gevaar bestaat op de aanwezigheid van
luchtbuffers in de installatie, dan moeten er ge-
schikte ontluchtingsvoorzieningen worden aange-
bracht!
afhankelijk van het vulniveau (AUTO) wordt in- en uit-
geschakeld.
nl
185