MOGELIJKE STORINGEN EN OPLOSSINGEN
A) De motor start niet
1. De elektrische aansluitingen, schakelaars of relais controleren, de circuitonderbrekers of
zekeringen controleren.
2. Controleren of de motor vrijelijk kan roteren.
B) De motor stopt, het volgende controleren.
1. De kabels, aansluitingen, relais, enz.
2. De spanningsval naar de motor (wordt vaak veroorzaakt door te zwakke kabels).
3. Of er geen vastloping of overbelasting is (door de geabsorbeerde stroomsterkte af te lezen).
C) De motor sputtert, maar start niet. Indien geen fase onderbroken is, controleren of de condensator
niet beschadigd is.
D) De pomp zuigt niet aan
1. Controleren of het lichaam van de voorfilter met water gevuld is, of de pakking van het deksel schoon
en goed geplaatst is en of geen enkele luchtopname mogelijk is. Indien nodig de borgschroeven van
het deksel opnieuw vastdraaien.
2. Controleren of alle aanzuig- en perskleppen geopend en niet-verstopt zijn en of alle aanzuigopeningen
van het zwembad volledig ondergedompeld zijn.
3. Controleren of de pomp aanzuigt door het aangezogen materiaal zo dicht mogelijk in de buurt van
de pomp vrij te geven.
a) indien de pomp niet aanzuigt ondanks een voldoende voorraad aanzuigwater.
1. De bouten en leidingaccessoires aan aanzuigzijde opnieuw vastdraaien.
2. De spanning verifiëren om te controleren of de pomp tegen de juiste snelheid draait.
3. De pomp openmaken en controleren of niets binnen in aanwezig is dat verstopping veroorzaakt.
4. De mechanische afsluiter vervangen.
b) Indien de pomp normaal aanzuigt, de aanzuigleiding en de voorfilter controleren. Ze zouden
verstopt kunnen zitten of luchtopname kunnen veroorzaken.
E) Debietdaling. Algemeen controleren:
1. of er in de aanzuigleidingen of in de voorfilter geen verstopping of versmalling voorhanden is, en
ook of de diameter van de leidingen voldoende is.
2. of er in de retourleidingen of in de filters geen verstoppingen of versmallingen voorkomen (in dat
geval zal de afvoermanometer een zeer sterke drukstijging aangeven)
3. of er bij de aanzuiging geen lucht binnendringt (in dat geval zal het water in de afvoerleiding of via
het deksel van de voorfilter zichtbare luchtbellen bevatten).
4. of de pomp niet tegen te lage snelheid draait (spanningsverval).
F) Pomp maakt lawaai, het volgende controleren.
1. Of geen enkele luchtopname of -aanwezigheid tot geklapper in de pomp leidt.
2. Of er geen cavitatie veroorzaakt wordt door een onvoldoende diameter of een beperking van de
aanzuigleiding. Een te grote persleiding kan eveneens tot cavitatie leiden. Of correcte leidingen
gebruikt worden of de leidingen indien nodig ontluchten.
3. Of geen trillingen ontstaan door een verkeerde montage.
4. Of zich geen vreemde voorwerpen in het pomplichaam bevinden.
5. Of de motorlagers niet vastlopen door een te grote speling, roest of aanhoudende oververhitting.
ENKEL ORIGINELE RESERVEONDERDELEN VAN KRIPSOL GEBRUIKEN.
Pagina 6 van 6
Pomp
Rev. I