3. Gebruik de luchtontvochter niet in sterk stof- of
chloorhoudige omgeving.
4. Gedurende het ontvochten moeten de ventilatormotor en
de compressor ten minste 3 min. draaien, nadat de
compressor werd gestart. Om beschadigingen aan de
compressor te voorkomen, dient u, wanneer de
luchtontvochter zich heeft uitgeschakeld, 3 minuten
wachten, alvorens u het toestel opnieuw inschakelt.
5. Ligt de ruimtetemperatuur onder 10 °C en is de
omgevende relatieve luchtvochtigheid vrij laag, is het niet
noodzakelijk de luchtontvochter te benutten.
6. Het luchtontvochtingsvermogen van het toestel is
afhankelijk
van
de
ruimtetemperatuur en de relatieve luchtvochtigheid van de
ruimte.
7. Ledig de bak, wanneer hij vol is. Zet vervolgens de lege
waterbak weer in, opdat het toestel weer kan werken.
8. Transporteer het toestel alleen in rechte positie.
9. Indien het toestel niet werkt of het bedrijf uit niet bekende
redenen ineens wordt onderbroken
storingen".
10. Is de luchtontvochter in bedrijf, vervaardigt de compressor
afvalwarmte en de ruimtetemperatuur stijgt licht. Het
handelt zich hierbij om een normaal verschijnsel.
Bedieningsveld
1
Toets „ON / OFF = AAN / UIT"
2
Weergave
„relatieve
storingsfout
3
Toets "Luchtvochtigheidswaarde stijgt"
4
Weergave „Bedrijfsurenteller"
5
Toets "Luchtvochtigheidswaarde reduceren"
6
Symbool „Ontdooien"
7
Symbool „Ventilator draait"
8
Symbool "Wateropvangbak vol"
9
Symbool „Ontvochtingsbedrijf"
Continu weergave =
knipperende weergave = toestel ontvocht niet
96
ruimtelijke
gesteldheid,
zie „Mogelijke
luchtvochtigheid
in%"
toestel ontvocht
(compressor en ventilator
ingeschakeld)
(compressor
uitge-
schakeld - ventilator
ingeschakeld)
Storingweergave
Worden de storingsfouten E3 – E4 – E5 in de weergave 2
„relatieve luchtvochtigheid" weergegeven
storingen".
Wanneer u het aansluitkabel in het stopcontact steekt,
weerklinkt een signaaltoon.
Weerklinkt de signaaltoon niet, is een storing voorhanden.
Controleer de toevoerleiding, het stopcontact en de zekering.
Druk de toets
de
In de weergave 2
de fabriek ingestelde luchtvochtigheid van 60% weergegeven.
Na 5 sec. geeft de weergave de actuele luchtvochtigheid weer.
De weergave "Luchtvochtigheidswaarde" toont de vochtigheid
in een bereik tussen 30% en 90% aan.
Druk opnieuw de toets
schakelen.
Luchtvochtigheidswaarde instellen
Bedien toets
„Luchtvochtigheidswaarde reduceren" om de gewenste
luchtvochtigheid in te stellen.
Bedragt de ingestelde luchtvochtigheidswaarde minder dan 30
%, ontvocht het toestel permanent en de weergave 2 geeft
"CO" weer.
Tip: Een relatieve luchtvochtigheid van 50 – 60 % is in
de
regel
ruimteklimaat tot stand te brengen en de vorming
van
voorzieningen te voorkomen.
Onderschrijft de gewenste vochtigheidswaarde de actuele
luchtvochtigheid om 3 % schakelt zich de luchtontvochter
(compressor) automatisch aan. Continu weergave van
of
het symbool
Overschrijdt de gewenste vochtigheidswaarde de actuele
luchtvochtigheid om 3 % schakelt zich de luchtontvochter
(compressor) weer zelfstandig uit. Het symbool
„Ontvochtingsbedrijf" knippert.
Bij een ruimtetemperatuur onder 20 °C vormt zich niet alleen
condensaat aan de koude verdamperoppervlakte maar ook ijs.
Dit ijs zet de warmtewisselaar dicht, zo dat het luchtdebiet
gehinderd wordt. De ingebouwde ontdooiautomatiek ontdooit
de verdamper. Dit maakt een ontvochtingsbedrijf tot een
temperatuur van +5 °C mogelijk.
Gedurende het ontdooien wordt het symbool
weergegeven, de compressor draait verder, maar de ventilator
schakelt zich automatisch uit.
Inschakelen
in, om de luchtontvochter in te schakelen.
„Luchtvochtigheidswaarde" wordt de door
Uitschakelen
in, om de luchtontvochter uit te
„Luchtvochtigheidswaarde stijgt" of
voldoende
om
een
condensatiewater
aan
„Ontvochtingsbedrijf" in het display.
Ontdooiautomatiek
zie „Mogelijke
aangenaam
onderdelen
en
in het display