NEDERLANDS
INBOUW
De pompinstallatie moet vrijstaand worden geïnstalleerd en
zodanig dat opwaartse druk is gegarandeerd. Naast en boven
alle te onderhouden onderdelen moet een werkruimte van ten
minste 60 cm in de breedte of hoogte aanwezig zijn.
Ventilatie: de ventilatieleiding moet over het dak worden geleid.
Inlaat: In de inlaat vóór de tank moet een afvalwaterschuifaf-
sluiter zijn aangebracht.
Drukleiding: Achter de terugslagklep in de drukleiding moet
nóg een afvalwaterschuifafsluiter zijn aangebracht. Wordt de
terugslagklep niet meegeleverd met de installatie, dan moet
een EN 12050-gecertificeerde terugstroombeveiliging worden
ingebouwd.
De drukleiding moet met een lus boven het lokale opstuwings-
niveau worden geleid.
Voor de ontwatering van van de opstelruimte moet een pomp-
koker worden aangebracht.
LET OP! Alle schroeven die dienen voor het vastzetten van af-
zonderlijke onderdelen aan de tank, mogen slechts met een
max. aantrekmoment tot 6 Nm worden vastgedraaid.
Montage van de tank
De schuifafsluiter in de inlaat (toebehoren) sluiten om binnen-
dringen van water tijdens de installatie te voorkomen.
Compli-pompinstallaties met de klemflens tot de aanslag op
de inlaatbuis schuiven en uitlijnen.
Als er een DN 150-zijinlaat worden gebruikt, moet deze eerst
met behulp van een gatenzaag met een diameter van 152 op de
markering worden opengezaagd en ontbraamd. De standaard-
toevoer moet dan met de sluitset (accessoire) worden gesloten
en het inschakelniveau moet opnieuw worden gedefinieerd.
Bij de Compli 1000 kan de inlaat van DN 150 naar DN 100 wor-
den verkleind, indien het meegeleverde verloopstuk eerst in de
klemmenflens is geplaatst.
De zeskantschroeven van de klemflens stevig aandraaien.
Gaten voor de vloermontage van de tank aftekenen en uitboren.
Houtschroef samen met ring en plug door het gat in de tank
steken en vastschroeven.
LET OP! De schroeven slechts zover aandraaien dat de tank niet
wordt vervormd, omdat er anders kans op lekkage ontstaat.
Montage van de ventilatie
De ontluchtingspijp met de overschuifmof DN 70 rechtsboven
op de tank aansluiten en over het dak leiden.
Montage van de drukleiding
Op de afvoerflens monteren:
1. Terugslagklep
2. Afsluitschuif (toebehoren)
3. Aansluitflens en
4. met een elastische verbinding de drukleiding aansluiten en
met een lus boven het lokale opstuwniveau leiden.
Aansluiting DN 50 verticaal
Deze verbinding wordt gebruikt voor noodverwijdering.
De uitlooptuit op de markering openzagen met een gatenzaag ,
ontbramen en de plug 58/50 aanbrengen.
Monteer handmembraanpomp (accessoire)
Een inlaatbuis met buitendiameter van 50 mm door de plugaf-
40
dichting in de tank steken. De afstand tot de bodem van de tank
moet 50 mm bedragen.
De handmembraanpomp gemakkelijk toegankelijk op de muur
aanbrengen, aansluiten op de ingebrachte buis en vervolgens
de drukleiding van de handmembraanpomp aansluiten. Ook
hier moet de drukleiding met een lus boven het lokale opstuw-
niveau worden geleid.
Extra inlaat DN 50 horizontaal
De voorgeslepen groef voor de extra inlaat met een gatenzaag
openzagen en ontbramen.
De plug 58/50 aanbrengen.
Inlaatbuis met buitendiameter van 50 mm door de plugafdich-
ting in de tank steken.
Montage van de regeling
LET OP! Alleen een gekwalificeerde elektromonteur mag
werkzaamheden aan de pomp, stekkers of regelaar uitvoeren.
LET OP! Leg de netstekker of het open kabeleinde nooit in wa-
ter! Eventueel binnendringend water kan leiden tot storingen
en schade.
De regelaar mag alleen in droge ruimtes worden gebruikt en de
behuizing moet steeds gesloten blijven. De regelaar moet ge-
makkelijk toegankelijk zijn, zodat op elk moment een controle
mogelijk is. Hoge luchtvochtigheid en condensatie kunnen de
regelaar beschadigen.
Sterkstroominstallaties met stekker
Voor de elektrische aansluiting van de pompinstallatie moet
een volgens de voorschriften geïnstalleerd 5-polig CEE-stop-
contact worden aangebracht, dat zich in een droge ruimte (3/N/
PE~ 230/400 V) en een stroomonderbreker (30mA) is beveiligd.
LET OP! Als zekeringen voor de installatie mogen alleen trage
zekeringen of zekeringautomaten met C-karakteristiek wor-
den gebruikt. Zie aansluitschema.
Installaties met vrij kabeleinde
Indien dit apparaat is uitgerust met een stroomaansluiting
zonder stekker of iets dergelijks om het toestel spanningsloos
te maken, moet ter plaatse in de vaste elektrische besturing
een volledige uitschakel mogelijkheid worden geïnstalleerd,
overeenkomstig de installatievoorschriften. Een hoofdscha-
kelaar van overspanningscategorie III kan worden geïnstalle-
erd als een volledige uitschakelinrichting.
Installaties zonder aansluitleiding met hoofdschakelaar
Als dit apparaat zonder netaansluitleiding is uitgerust, moet
ter plaatse in de vaste elektrische installatie een volledige
scheidingsinrichting worden geïnstalleerd volgens de instal-
latievoorschriften. Een hoofdschakelaar van overspannings-
categorie III kan als volledige scheidingsinrichting worden
geïnstalleerd. De netaansluitleiding wordt rechtstreeks op de
hoofdschakelaar aangesloten.
LET OP! Als zekeringen voor de installatie mogen alleen trage
zekeringen of zekeringautomaten met C-karakteristiek wor-
den gebruikt. Zie aansluitschema.
Schakelniveaus
De in- en uitschakel punten zijn af fabriek ingesteld op de stan-
daard ingangshoogte van het betreffende systeem. In uitzon-
derlijke gevallen kunnen ze echter onder menu-item "niveau-
meting" worden gewijzigd.